Vlaanderen en Nederland hebben samen een derde versie van de meetrichtlijnen voor stalemissies uitgewerkt. Voor melkveehouders en varkenshouders verandert er vandaag nog niets op het erf, maar de nieuwe richtlijnen kunnen op termijn wel belangrijk worden voor de beoordeling van staltechnieken, emissiefactoren en vergunningen.
Tijdens de Commissie Landbouw van het Vlaams Parlement van 20 mei 2026 vroeg Vlaams Parlementslid Arnout Coel aan minister Jo Brouns naar de vernieuwde meetrichtlijnen voor emissies uit veestallen. Die richtlijnen werden voorbereid door een Vlaams-Nederlandse werkgroep met onder meer Wageningen University & Research, ILVO en VITO. Het doel is om stalemissies uit huisvestingssystemen, staltechnieken en managementmaatregelen nauwkeuriger te meten en te beoordelen.
Wat verandert er?
Volgens minister Brouns zitten de belangrijkste wijzigingen in de wetenschappelijke onderbouw van de metingen. Voor melkkoeien worden de bestaande rekenregels vervangen door nieuwe regels die de ventilatiehoeveelheid nauwkeuriger moeten bepalen. Ook de meting van ammoniak, geur en fijnstof bij nageschakelde luchtzuiveringssystemen werd verder uitgewerkt, deels op basis van een Vlaams protocol van het Wetenschappelijk Comité Luchtemissies Veeteelt, kortweg WeComV.
Voor landbouwers is er op korte termijn geen rechtstreekse impact. De derde versie van de meetrichtlijnen moet eerst nog door het WeComV beoordeeld en geadviseerd worden voor ze in Vlaanderen kan worden toegepast. De richtlijnen zijn vooral bedoeld als handleiding voor het opstellen van meetplannen en het correct uitvoeren van emissiemetingen.
Middelvoorschrift of doelvoorschrift?
Vandaag werkt Vlaanderen vooral met middelvoorschriften. Dat betekent dat een landbouwer een vergunning krijgt op basis van een erkende techniek of een erkend stalsysteem, bijvoorbeeld uit de lijst van ammoniakemissiearme technieken. Aan zo’n techniek hangt een forfaitaire emissiereductie vast.
Een doelvoorschriftvergunning werkt anders. Daarbij krijgt de landbouwer een maximaal toegestane emissie opgelegd en moet hij via metingen aantonen dat zijn bedrijf onder die norm blijft. In theorie geeft dat meer ondernemersvrijheid: de landbouwer kiest zelf hoe hij het doel haalt.
Minister Brouns erkende dat zo’n aanpak voordelen kan hebben. Ze kan landbouwers meer flexibiliteit geven en tegelijk zekerheid bieden dat de milieudoelen gehaald worden. Maar hij temperde ook de verwachtingen: continu meten van stikstof is vandaag technisch niet eenvoudig en voor veel bedrijven nog te duur. Daardoor is een doelvoorschriftvergunning op dit moment volgens hem niet breed toepasbaar.
Vooral relevant voor varkens- en pluimveestallen?
Als Vlaanderen in de toekomst toch richting doelvoorschriften evolueert, ligt het volgens de minister voor de hand om eerst te kijken naar sectoren waar metingen technisch beter haalbaar zijn. Hij verwees daarbij naar varkens- of pluimveestallen die volledig gesloten en mechanisch geventileerd zijn. Voor varkenshouders kan dit dus een belangrijk dossier worden om op te volgen.
Voor melkveehouders ligt dat moeilijker. Melkveestallen zijn vaak meer open en natuurlijk geventileerd, waardoor continue en betrouwbare emissiemetingen complexer zijn. Toch zijn ook voor de melkveehouderij de nieuwe rekenregels belangrijk, omdat ze mee bepalen hoe stalemissies uit melkveestallen in de toekomst worden ingeschat.
Rechtszekerheid blijft het kernpunt
In het debat werd ook gewezen op de onzekerheid voor landbouwers die vandaag investeren in emissiereducerende technieken. Wanneer meetrichtlijnen verfijnen en emissiefactoren later worden aangepast, kan een techniek anders beoordeeld worden dan op het moment van investering. Coel waarschuwde ervoor dat landbouwers niet afgestraft mogen worden omdat de wetenschappelijke inzichten achteraf evolueren. Minister Brouns gaf aan dat hij die bezorgdheid deelt.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV

