De nutriëntenbehoefte van zeugen verandert sterk tijdens de dracht, maar in de praktijk wordt nog vaak gewerkt met één standaard drachtvoer. Volgens onderzoek van Kathleen McClellan, promovendus aan South Dakota State University, is dat een achterhaalde benadering. Zij zegt dat haar studies naar tweefasenvoeding in de late dracht laten zien dat gerichter voeren niet alleen de gezondheid van de zeug verbetert, maar ook leidt tot betere bigprestaties en mogelijk een langere levensduur van de zeug.
“De moderne zeug is niet meer te vergelijken met die van twintig jaar geleden”, stelt Kathleen McClellan in de Swine it Podcast. “Maar ons voermanagement is in veel gevallen nauwelijks mee veranderd”, zo is haar ervaring.
Biologische veranderingen vragen om aangepaste voeding
Tijdens de dracht doorloopt een zeug verschillende fysiologische fasen. Vooral in het laatste derde deel van de dracht nemen de nutriëntenbehoeften sterk toe. “In die periode groeien de foetussen het snelst, ontwikkelt het uier zich en neemt het bloedvolume toe”, legt McClellan uit. “Dat vraagt om een andere nutriëntenbalans dan eerder in de dracht.”
Toch wordt die verandering in de praktijk vaak niet specifiek opgevangen. De meest gangbare strategie is nog steeds het verhogen van de voergift in de laatste weken van de dracht. “Hiermee proberen we de hogere behoefte te compenseren door simpelweg meer van hetzelfde voer te geven. Dat werkt tot op zekere hoogte, maar het is geen gerichte oplossing. Je verhoogt alle nutriënten in dezelfde verhouding, terwijl de behoefte juist verschuift.”
Het gevolg is dat energie vaak wordt overgevoerd, terwijl er aan essentiële nutriënten zoals aminozuren, vitaminen en sporenelementen nog steeds een tekort kan zijn. “Je vult het ene gat, maar creëert mogelijk een ander probleem.”
Tweefasenvoeding: van kwantiteit naar kwaliteit
Met tweefasenvoeding pakt een varkenshouder dit anders aan. In plaats van meer van hetzelfde voer te verstrekken, wordt de samenstelling van het rantsoen aangepast aan de fase van de dracht. “In de late dracht introduceren we een nutriëntrijker rantsoen”, legt McClellan uit. “Dat bevat hogere gehalten aan aminozuren, vitaminen en mineralen, en is specifiek afgestemd op de verhoogde biologische vraag.” Het doel is om de nutriëntenvoorziening beter te laten aansluiten op de behoefte van de zeug, zonder onnodig extra energie te voeren. “Het gaat er niet om meer te voeren, maar slimmer te voeren.”
Bloedarmoede legt probleem bloot
Een belangrijke aanleiding voor het onderzoek van McClellan was het veelvuldig voorkomen van bloedarmoede bij zeugen in de late dracht. “In veldonderzoek zagen we dat een groot percentage zeugen een lage hemoglobinewaarde heeft tegen het einde van de dracht. Dat is een duidelijk signaal dat de nutriëntenvoorziening niet optimaal is.”
De gevolgen van bloedarmoede blijken aanzienlijk. Zeugen met een lage hemoglobinewaarde hebben een verhoogd risico op een langere werpduur, meer doodgeboren biggen en een grotere kans op uitval. “Het werpproces is een enorme lichamelijke belasting. Als een zeug daar al met een tekort ingaat, zie je dat terug in de prestaties.”
Volgens McClellan is dit probleem mede ontstaan doordat de genetische vooruitgang niet is gevolgd door aanpassingen in voeding. “We zien tegenwoordig worpgroottes van zestien tot meer dan twintig biggen. Dat is indrukwekkend, maar vraagt ook veel meer van de zeug.”
Tegelijkertijd zijn voedingsnormen, met name voor vitaminen en sporenelementen, volgens McClellan al decennialang nauwelijks aangepast. “We voeren moderne zeugen nog steeds volgens richtlijnen die niet meer aansluiten bij de huidige praktijk”, is haar bevinding.
Proefresultaten: duidelijke winst voor zeug en big
Om het effect van tweefasenvoeding te onderzoeken, voerde McClellan een studie uit met 70 zeugen. De ene groep kreeg gedurende de hele dracht een standaard rantsoen, terwijl de andere groep vanaf dag 70 een verrijkt rantsoen kreeg. McClellan noemt de resultaten overtuigend.
Allereerst verbeterde de nutriëntenstatus van de zeugen duidelijk. “We zagen binnen veertig dagen al een stijging van de hemoglobinewaarden”, zegt de onderzoeker. “Daarnaast was de ijzervoorraad in het bloed hoger en verbeterde de vitamine D-status.”
Ook de lichaamsconditie van de zeugen was beter. Ze gingen met meer spekdikte en in een betere algemene conditie het werpproces in. Dat vertaalde zich direct naar betere werpprestaties. “De werpduur was korter en het aantal doodgeboren biggen lager”, aldus McClellan. “Daarnaast hadden de biggen een betere mineralen- en vitaminestatus, wat belangrijk is voor hun vitaliteit.” Het meest tastbare resultaat voor de praktijk was de hogere bigoverleving. “Zeugen met tweefasenvoer speenden gemiddeld één big meer per worp. Dat is economisch zeer relevant.”
Effecten reiken verder dan één cyclus
Een opvallende uitkomst van het onderzoek was dat de voordelen van tweefasenvoeding niet beperkt bleven tot één worp. In een vervolgcyclus bleken de effecten zelfs verder toe te nemen. “Zeugen die in twee opeenvolgende cycli het aangepaste rantsoen kregen, produceerden gemiddeld 2,4 biggen meer totaal geboren en 2,7 meer levend geboren biggen”, zegt McClellan.
Daarnaast bleef de werpduur korter. Dat wijst er volgens McClellan op dat we niet alleen een tijdelijk effect zien, maar mogelijk ook een structurele verbetering in de productiviteit van de zeug. Dit kan betekenen dat het genetisch potentieel van moderne zeugen beter wordt benut. “Als de voeding beter aansluit bij de behoefte, kan de zeug haar capaciteit volledig benutten.”
Samenspel van nutriënten
Hoewel de resultaten duidelijk zijn, is het nog niet exact vast te stellen welke nutriënt verantwoordelijk is voor de verbeteringen. “Die vraag krijgen we vaak”, zegt McClellan. “Maar voeding werkt nooit via één component. Het is altijd een samenspel.”
Ze wijst bijvoorbeeld op de rol van ijzer. “IJzerstofwisseling hangt niet alleen af van de hoeveelheid ijzer in het rantsoen, maar ook van de beschikbaarheid van andere nutriënten zoals vitaminen en sporenelementen.” Volgens haar benadrukt dit het belang van een gebalanceerd totaalrantsoen. “Alle nutriënten hebben hun eigen rol en versterken elkaar.”
Praktische toepassing vraagt aanpassingen
De invoering van tweefasenvoeding is in de praktijk niet altijd eenvoudig. Een belangrijke beperking is de voerinstallatie op veel bedrijven. “Veel bedrijven hebben maar één voerlijn in de dracht, waardoor het lastig is om verschillende rantsoenen te verstrekken”, legt McClellan uit.
De meest voor de hand liggende oplossing is het installeren van een tweede voerlijn of het gebruik van elektronische voersystemen. Als dat niet haalbaar is, kan gewerkt worden met bijmenging van specifieke nutriënten in de late dracht, bijvoorbeeld via topdressing. “Dat vereist wel een goede uitvoering, maar kan een praktische tussenoplossing zijn.” Hoewel het verrijkte rantsoen duurder is, ziet McClellan duidelijke economische voordelen. “Als je één extra big per worp speent en de uitval van zeugen verlaagt, kan de investering zich snel terugverdienen.”
Af van ‘meer van hetzelfde’
Het onderzoek naar tweefasenvoeding staat nog aan het begin. McClellan werkt inmiddels aan grootschalige praktijkproeven om de resultaten verder te onderbouwen. “We willen vooral beter inzicht krijgen in de economische effecten en de impact op zeugoverleving”, zegt ze. “Maar de eerste signalen zijn veelbelovend.” Voor de sector ligt er volgens haar een duidelijke uitdaging. “We moeten de voeding beter laten aansluiten bij de realiteit van vandaag. Dat betekent dat we verder moeten kijken dan traditionele voerschema’s.”
Wie het maximale uit de moderne zeug wil halen, kan dus niet volstaan met ‘meer van hetzelfde’. “Het gaat om precisie”, besluit McClellan. “Door gerichter te voeren, kunnen we zowel diergezondheid als technische resultaten naar een hoger niveau tillen.”

Een nog beter afgestemde voeding in de laatste fase van de dracht kan positieve invloed hebben op het verloop van het werpproces.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV

