Bij varkensvoeding wordt het steeds belangrijker om rekening te houden met de gezondheid van maag en darmen. Structuur in het voer speelt daarbij een belangrijke rol. Het helpt om maagbeschadigingen te voorkomen en ondersteunt een gezonde spijsvertering. Brijvoeding geeft op dit punt extra uitdaging, maar de juiste strategie kan problemen voorkomen, vertelde René Schennink van ABZ Diervoeding op de Brijvoermiddag die het bedrijf op 12 mei organiseerde.
Brijvoerrantsoenen bevatten doorgaans relatief weinig vezels. Bovendien zijn de vezels die via bijproducten worden aangevoerd vaak zo fijn mogelijk gemalen. Tegelijkertijd verandert de samenstelling van bijproducten. Ze worden steeds zouter en suikerrijker. “Uit kaaswei worden tegenwoordig eiwitten gewonnen voor sportvoeding, waardoor de kwaliteit en samenstelling van het overblijvende bijproduct verandert”, geeft Schennink als voorbeeld.
Voeropname gestegen
Daar komt bij dat de voeropname de afgelopen jaren sterk is gestegen. In 2015 lag de gemiddelde voeropname nog op 2,08 kilogram per dier per dag. In 2025 is dat gestegen naar 2,33 kilogram. Het maag-darmkanaal krijgt dus steeds meer te verstouwen.
Wat kun je doen voor brijvoer met meer structuur? Schennink heeft een aantal tips. De belangrijkste is om bepaalde onderdelen van het voer grover te malen. “Grof gemalen voer heeft een langere verblijfsduur in de maag. Daardoor kunnen enzymen beter inwerken en worden bacteriën beter gedood.”
Geen goede ervaringen in het verleden
Toch wordt grover malen in de praktijk niet altijd toegepast. “In het verleden had grover gemalen voer een negatieve invloed op de voerconversie. Daarbij werd echter vaak het hele voer grof gemalen, inclusief het eiwitgedeelte. Juist dat eiwitgedeelte moet fijn blijven voor een goede verteerbaarheid”, legt Schennink uit.
Het aandeel vezels in het rantsoen is vooral belangrijk bij genetica met een hoge voeropname, zoals Duroc en Tempo. Deze dieren nemen veel voer op, waardoor het maag-darmkanaal extra wordt belast. Voldoende structuur kan dan helpen om de vertering rustiger en gezonder te laten verlopen.
In de praktijk kan extra structuur worden aangebracht door te werken met gemalen en gewalste grondstoffen, zoals gerstemeel of ruwe celstof mix.. Bedrijven die zelf gerst malen, doen er goed aan het meel regelmatig te bemonsteren. Vooral de fijne fractie is belangrijk: de fractie kleiner dan 0,5 millimeter moet bij voorkeur onder de 30 procent blijven.
Drijflaag op de mest voorkomen
Wanneer gerst niet wordt geperst, blijft het vliesje meer intact. Voor het varken is dat gunstig, omdat het zorgt voor extra structuur. In de mestput kan dit echter een nadeel zijn, omdat er eerder drijflagen kunnen ontstaan. Wat voor het dier gezond is, kan in de put dus praktisch een probleem geven. Een optie is dan het gebruik van gerstekruimel, eventueel gecombineerd met een gedeelte gewalste gerst voor extra structuur. In de praktijk gaat het dan vaak om een aandeel van 5 tot 10 procent.
Met Krusli-voeders speelt ABZ Diervoeding hierop in. Het bestaat uit 100 procent gerst die is gemalen en verhit, maar niet geperst. “Door de verhitting is de gerst optimaal ontsloten, terwijl de structuur behouden blijft”, legt Schennink uit. “Tegelijkertijd ontstaat er geen drijflaag in de mestput. Daarmee is Krusli een praktische manier om extra structuur in het voer te brengen en de maag- en darmgezondheid van varkens te ondersteunen.”
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: UFA

