Op een zeugenbedrijf werden in korte tijd bij meerdere tomen pasgeboren biggen met afwijkingen aan het hoofd gezien. Pathologisch onderzoek wees op cranioschisis en meningocele. De oorzaak is niet altijd eenvoudig vast te stellen. Naast infecties verdienen vooral erfelijke factoren en mogelijke voedingstekorten aandacht, zo meldt GD Veekijker.
Op een zeugenbedrijf werd gedurende enkele weken een toenemend aantal afwijkingen bij pasgeboren biggen waargenomen. Meerdere tomen waren aangedaan. Bij de biggen vielen met name twee verschijningsvormen op: een zachte zwelling ter hoogte van het voorhoofd en een opvallend afgeplat voorhoofd.
Enkele biggen werden ingestuurd voor pathologisch onderzoek. Daaruit bleek dat sprake was van twee aangeboren afwijkingen aan de schedel: cranioschisis en meningocele. Aan de overige organen werden geen afwijkingen gevonden.
Schedel sluit niet volledig
Bij cranioschisis sluiten de schedelbeenderen tijdens de ontwikkeling van het embryo niet volledig. Hierdoor kunnen de hersenen onvoldoende beschermd zijn en kan contact met vruchtwater ontstaan. Dit kan leiden tot ernstige degeneratie van hersenweefsel en in sommige gevallen tot anencefalie, waarbij delen van de hersenen en schedel onvoldoende zijn ontwikkeld.
Bij een meningocele is eveneens sprake van een sluitingsdefect. Daarbij kunnen de hersenvliezen, en afhankelijk van de ernst ook hersenweefsel, door een opening in de schedel naar buiten uitstulpen. Het mechanisme vertoont overeenkomsten met spina bifida, waarbij de wervelkolom tijdens de embryonale ontwikkeling niet volledig sluit.
Meerdere oorzaken mogelijk
Bij aangeboren afwijkingen is het belangrijk om breed naar mogelijke oorzaken te kijken. Zowel infectieuze als niet-infectieuze factoren kunnen een rol spelen.
Virussen zoals PPV1, PRRS-virus en PCV3 kunnen in verband worden gebracht met aangeboren afwijkingen bij biggen. Deze ziekteverwekkers zijn echter niet specifiek gekoppeld aan cranioschisis of meningocele. Wanneer dergelijke afwijkingen bij meerdere tomen optreden, moeten daarom ook andere verklaringen worden onderzocht.
Een belangrijke mogelijkheid is erfelijke aanleg. Cranioschisis is bij varkens als erfelijke afwijking beschreven. De genetische achtergrond van zowel de zeug als de gebruikte beer kan daarom relevant zijn. Wanneer meerdere aangedane biggen of tomen voorkomen, is het zinvol om afstammingsgegevens te vergelijken en hierover contact op te nemen met de fokkerijorganisatie.
Ook rantsoen onder de loep nemen
Naast genetische factoren kunnen voedingstekorten tijdens de dracht bijdragen aan aangeboren afwijkingen. Vooral een tekort aan vitamine A wordt hiermee in verband gebracht. In de gangbare varkenshouderij komt een ernstig tekort niet vaak voor, maar fouten bij het formuleren, produceren of mengen van voer kunnen niet volledig worden uitgesloten.
Bij een plotselinge toename van aangeboren afwijkingen is het daarom verstandig om niet alleen de gezondheidsstatus en genetische achtergrond te beoordelen, maar ook het voer en de voerbereiding kritisch te controleren.
Deze casus laat zien dat bij congenitale afwijkingen bij pasgeboren biggen een brede aanpak nodig is. Pathologisch onderzoek, controle van genetische relaties en beoordeling van het zeugenvoer kunnen gezamenlijk helpen om mogelijke oorzaken te achterhalen. Samenwerking tussen dierenarts, voerleverancier en fokkerijorganisatie is daarbij belangrijk om het risico op herhaling zoveel mogelijk te beperken, zo besluit GD het artikel in Veekijker Nieuws.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV (ter illustratie)

