Intensieve varkensteelt heeft onvermijdelijk een ecologische voetafdruk. Deze landbouw stoot broeikasgassen uit, gebruikt fossiele brandstoffen en zorgt voor een verhoging van stikstof en fosfor in het water. Om de impact op het milieu te verminderen, zoeken landbouwers in de eerste plaats naar een verbeterde voederconversie. Er bestaan al heel wat studies over dit onderwerp, maar meestal bekijken zij groepen varkens als geheel. Hierbij wordt er geen rekening gehouden met individuele verschillen tussen varkens, bijvoorbeeld op vlak van metabolisme en de behoefte aan aminozuren. Wetenschappers van het Franse onderzoeksinstituut INRAE gingen daarom op zoek naar de impact van individuele verschillen op voederopname, groei en het milieu.
De onderzoekers gebruikten gegevens van 732 verschillende vleesvarkens. Met behulp van een wiskundig model creëerden ze vervolgens evenveel virtuele populaties van telkens duizend dieren. Elke populatie had dezelfde kenmerken en prestaties als één van de varkens uit de groep van 732 dieren. Per populatie werd de precieze nutritionele behoefte berekend en werd ook een simulatie gemaakt van het beste voeder ten opzichte van de noden. Hiermee kon men de technische, ecologische en economische prestaties van de dieren voorspellen. De impact op het milieu werd berekend per kilogram levend gewicht net voor de slacht.
Via het model konden de wetenschappers de individuele dieren opdelen in drie profielen. Ten eerste waren er de ‘evenwichtige’ varkens. Zij hadden een matige voederopname en namen een voeder op met een lage ecologische impact. Hun groei was efficiënt doorheen de hele afmestperiode. De tweede groep bestond uit ‘zuinige’ of ‘economische’ varkens. Zij hadden lage nutritionele noden en consumeerden een weinig ecologisch voeder. Omdat zij echter trager groeiden, was de voederconversie ook minder efficiënt. Deze varkens hadden een hogere ecologische impact per kilogram levend gewicht, omdat de totale voederopname hoger was. Ten slotte identificeerden de wetenschappers nog de ‘veeleisende’ varkens. Deze dieren vertoonden een zeer snelle en efficiënte groei, maar doordat zij een hoge nood aan aminozuren hadden, was hun voeder duurder en minder ecologisch. Het voeder werd immers gesupplementeerd met plantaardige eiwitten afkomstig van soja of zonnebloemen. Beide producten zijn prijzig en vooral soja heeft een hoge ecologische voetafdruk.
De wetenschappers komen tot de conclusie dat de varkens met de meest efficiënte voederconversie niet altijd de meest duurzame optie zijn. Vanuit ecologisch standpunt zijn de evenwichtige varkens de beste keuze. Bovendien waren de economische prestaties van deze groep het meest gunstig. Om de ecologische voetafdruk van de intensieve varkenshouderij te verminderen is het dus van belang om rekening te houden met het profiel van dieren. Via selectie en het afstemmen van het voeder op individuele noden kan men een betere balans tussen technische, economische en ecologische prestaties bereiken.
Tekst: Maarten Ceyssens
Beeld: Prosu Beeldarchief


