Escherichia coli (E. coli) en Clostridium-bacteriën zijn beruchte veroorzakers van diarree bij biggen. De aanpak begint bij een correcte diagnose. Op de Varkensproeverij, een event van farmaceutisch bedrijf HIPRA voor dierenartsen, vertelde dr. Philip Vyt van het Vlaamse diagnostisch laboratorium Dialab hoe je een infectie op het spoor komt en welke ziekteverwekker in welk geval de veroorzaker is.
Vyt startte zijn presentatie door kort uiteen te zetten hoe ziekteverwekkers in de darmen voor problemen zorgen. De darmwand is een complex orgaan dat zorgt voor opname van voedingsstoffen en vocht. Wanneer ziekteverwekkers zich eraan hechten of deze structuur aantasten, ontstaan verteringsstoornissen en vochtverlies. Bij toxinogene enteritis (zoals bij E. coli-infecties) gebeurt dit zonder directe schade aan de darmwand. Wel ontstaan er spijsverteringsproblemen als gevolg van gifstoffen die de darmwerking verstoren. Clostridium-infecties daarentegen zorgen voor celschade, wat leidt tot weefselafsterving en blijvend functieverlies.
Zo zorgt E. coli voor schade
Vyt ging dieper in op het ziekteproces door E. coli. Hij trok dit uiteen in drie stappen:
- Aanhechting aan de darmwand
De bacterie gebruikt kleine uitsteeksels om zich vast te hechten aan darmcellen. Elke stam heeft zijn eigen bindingsmechanisme en vaak is dit ook nog weer gastheerspecifiek. Zonder de aanhechting kan de bacterie geen schade aanrichten. - Productie van gifstoffen
Eenmaal gehecht, produceert de bacterie enterotoxines die de darmwerking verstoren. Het gevolg: waterige diarree, uitdroging en groeivertraging. - Optreden van risicoverhogende factoren
Leeftijd, darmflora, genetische gevoeligheid, voederveranderingen en stress spelen een grote rol. “Een bacterie alleen is zelden voldoende om ziekte te veroorzaken,” legt Vyt uit. “Het samenspel van factoren bepaalt of een infectie uitbreekt.”
Verschillende E. coli- problemen in verschillende levensfasen
E. coli komt in verschillende vormen op verschillende leeftijden voor. Van nature is E. coli aanwezig in de darm, maar niet alle stammen veroorzaken ziekte bij varkens. De ziekte komt in de volgende hoedanigheden voor:
- Neonatale diarree direct na de geboorte (vaak door de stammen F5 of F6);
- Speendiarree bij biggen rond het spenen (meestal F4 of F18);
- Slingerziekte of oedeemziekte bij oudere biggen, veroorzaakt door verotoxigene E. coli (VTEC).
Boven de 40 kilogram lichaamsgewicht komen klinische problemen met E. coli bij varkens nauwelijks voor. Jonge biggen zijn het meest kwetsbaar. “De klassieke slingerziekte met plots stervende biggen zien we minder,” zegt Vyt. “Maar de bacterie is er nog steeds, alleen uit ze zich vaker subklinisch: iets tragere groei, meer variatie, en een hogere antibioticadruk.”
Hoe kom je E. coli op het spoor?
Om een E.coli-besmetting vast te stellen, moet op het juiste moment op de juiste plaats een monster worden genomen. Dit kan via:
- Bacteriologisch onderzoek (PCR) om aanhechtingsmoleculen en gifstoffen aan te tonen.
- Onderzoek van darmweefsel bij pas gestorven dieren.
Het heeft volgens Vyt weinig zin om darmen van dieren te onderzoeken die uren dood zijn. De darmcellen vallen snel uiteen, waardoor belangrijke sporen verloren gaan.” Belangrijk is dat het monster niet uitdroogt of wordt beschadigd.
Bij sectie van dieren die getroffen zijn door speendiarree als gevolg van E. coli zijn vaak de volgende verschijnselen te zien:
- Stuwing in en uitgezette dunne darm
- Waterige, soms bloedgetinte darminhoud
- Normaal darmslijmvlies dit (in tegenstelling tot bij een clostridiuminfectie)
- Weinig gevulde dikke darm
- Gevulde maag
- Vochtverlies
Aanpak en preventie
De basis van elke behandeling bestaat volgens Vyt uit rehydratatie en het beperken van infectiedruk:
- Zorg voor nestwarmte en voldoende biestopname.
- Vaccinatie van de zeugen stimuleert immuniteit via biest en melk: antilichamen neutraliseren aanhechtingsmoleculen en toxines voordat ze schade veroorzaken.
- Hygiëne in kraamhok en biggenafdeling is essentieel.
- Antibiotica enkel na resistentiebepaling (antibiogram).
Zo zorgt Clostridium voor schade
Waar E. coli vooral tijdelijke stoornissen veroorzaakt, leidt Clostridium perfringens tot structurele darmschade. De bacterie produceert toxines die de darmcellen doden, wat resulteert in bloedige diarree, gasvorming en littekenweefsel. Ook Clostridium difficile komt voor bij biggen, door toxines die het darmskelet aantasten.
Diagnose:
Bij een besmetting met Clostridium difficile zie je vaak dat het vlies rond de dikke darm (het mesocolon) wat gezwollen is door vocht. De darm zelf vertoont meestal een milde ontsteking, en de mest is vaak wat dikker en pasteus. Onder de microscoop is te zien dat het oppervlak van de darm wat beschadigd is. Om zeker te weten dat het om Clostridium difficile gaat, kan het laboratorium de bacterie en haar gifstoffen aantonen via een kweek of een PCR-test. Soms worden de gifstoffen ook rechtstreeks in de mest gemeten.
Besmettingen voorkomen
Om besmettingen met Clostridium te voorkomen, zijn een goede stalhygiëne en een stabiele darmgezondheid van groot belang. Zorg dat de zeugen tijdig gevaccineerd zijn, zodat de biggen via de biest voldoende afweerstoffen meekrijgen. Vermijd plotselinge voerovergangen, want die kunnen de darmflora uit balans brengen en de weerstand verlagen. Houd de omgeving schoon en droog, en let op dat de dieren geen besmet mestmateriaal binnenkrijgen. “Een gezonde darmflora is de beste bescherming tegen Clostridium-problemen”, besluit Vyt.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV

