De markt voor bijproducten verandert snel en structureel. Dat vertelde Harry Snitselaar, nutritionist bij Duynie, tijdens de Kennismiddag Brijvoer van ABZ Diervoeding. Volgens Snitselaar wordt de markt steeds internationaler en raakt zij sterker verweven met sectoren als energie, food en petfood. De handel in bijproducten is daardoor allang geen lineaire veevoedermarkt meer, maar een keten waarin meerdere spelers om dezelfde stromen concurreren.
Duynie startte in 1968 als fouragehandelaar. Al snel ging het bedrijf ook aan de slag met reststromen uit de aardappel- en graanindustrie. Dat vormde de basis voor het huidige Duynie: een onderneming die actief is in 24 landen, honderden medewerkers telt en een breed portfolio aan rest- en nevenstromen uit de voedingsindustrie weet te verwaarden.
De brouwerijsector, de aardappelverwerkende industrie en de graan – en fermentatie-industrie zijn belangrijke herkomstbronnen van de producten die Duynie verwerkt. Partijen als Heineken, Cosun en Aviko zijn bijvoorbeeld belangrijke partners en leveren grote hoeveelheden reststromen waar veehouders graag gebruik van maken. Stapelbare producten gingen van oudsher vooral naar het rundvee, terwijl vochtrijke producten hun weg vonden naar de varkenshouderij. Volgens Snitselaar zijn er tegenwoordig echter ook steeds meer rundveehouders die natte bijproducten, zoals tarwegistconcentraat, voeren.
Meer kapers op de kust
De markt voor rest- en nevenstromen is dynamischer geworden. Waar het voorheen vanzelfsprekend was dat veel stromen naar de veehouderij gingen, zijn er nu veel meer gegadigden. Producten die Duynie ophaalt, worden tegenwoordig ook verwaard in de foodsector, petfood, de technische markt en de energiemarkt.
“Bij food moet je bijvoorbeeld denken aan eiwit uit bierbostel. Dat wordt gebruikt in onder meer snacks en hybride vleesproducten. Voor petfood worden groente- en fruitresten en aardappelbijproducten ingezet, bijvoorbeeld in honden en kattenvoer, vogelvoer en konijnenvoer. In de technische markt gaan resten van zetmeel uit aardappelen naar toepassingen als papier en behanglijm. Stromen die niet elders kunnen worden ingezet, gaan naar de energiemarkt.”
Krimpende veestapel beïnvloedt marktbalans
Een tweede belangrijke ontwikkeling die Snitselaar schetst, is de terugloop van het aantal varkens in Nederland. De afgelopen jaren zijn verschillende grote moderne brijvoerbedrijven verdwenen. Minder dieren betekent minder afzetmogelijkheden voor bijproducten.
Dat leidt tot minder lokale afzet, meer export en meer internationale stromen. Het is dan ook niet voor niets dat Duynie uitbreidt in landen als Duitsland en Polen. Tegelijkertijd vergroot een krimpende varkenssector de concurrentie met de energie- en humane markt.
Markt wordt volatieler en geopolitiek gevoeliger
De prijsvorming in de bijproductenmarkt is volgens Snitselaar steeds minder stabiel. Oorlog, geopolitieke spanningen, energieprijzen en de gasmarkt bepalen mede de prijs. Ook droogte en klimaatimpact, wisselkoersen, industriële capaciteit en seizoenspatronen spelen een rol.
Daarbij komt dat de productie van bijproducten vaak direct gekoppeld is aan de primaire voedingsindustrie. Als bijvoorbeeld de aardappel- of bierproductie verschuift, verandert ook de beschikbaarheid van voergrondstoffen.
Energie wordt nadrukkelijker concurrent
Een opvallende ontwikkeling is de toenemende rol van energieproductie als concurrent voor veevoer. Snitselaar waarschuwt dat biogasinstallaties en duurzame energieprojecten steeds vaker dezelfde stromen benutten die ook in brijvoer worden gebruikt. Dit kan leiden tot hogere grondstofprijzen en druk op de beschikbaarheid van natte en droge stromen. “Vanaf 2027 geldt in Nederland de wet bijmenging groen gas bij aardgas. Daar is organisch materiaal voor nodig. Mest, maar ook bijproducten.”
Van volumemarkt naar waardemarkt
De sector verschuift volgens Snitselaar duidelijk van een volumegedreven naar een waardegedreven markt. Niet langer staat alleen de vraag centraal waar een stroom heen kan, maar vooral waar die de meeste waarde oplevert. De varkenshouderij blijft een belangrijke afzetmarkt, maar is niet meer de enige stabiele basis.
Voor varkenshouders betekent deze ontwikkeling dat zekerheid en samenwerking belangrijker worden. De markt wordt dynamischer en minder voorspelbaar, terwijl transportafstanden en concurrentie om grondstoffen toenemen.
Om ook in de toekomst een aantrekkelijke afzetmarkt te blijven, moet de varkenssector volgens Snitselaar zowel continuïteit als flexibiliteit bieden. Voor de industrie is lokale afzet belangrijk om transportkosten te beperken, maar er moet ook ruimte zijn om pieken in aanbod op te vangen. Soms komt er ineens veel meer materiaal beschikbaar dan voorheen, bijvoorbeeld door een verandering in het productieproces. Dan moeten er wel mogelijkheden zijn om dit weg te zetten.
Een goed prijsmechanisme is daarbij belangrijk. Het moet zekerheid bieden, maar ook voldoende prikkel geven aan afnemers om extra volume op te nemen wanneer dat nodig is.

Veel vloeibare bijproducten komen bij Duynie binnen per schip en verlaten de locatie via de vrachtwagen.
Tekst en beeld: Gerben Hofman

