Wat houdt de derogatie precies in?

18.05.2011

De verlenging van de derogatie voor de periode 2011-2014 is cruciaal voor de Vlaamse landbouwsector. Derogatie laat immers toe dat bedrijven, onder strikte voorwaarden, meer dierlijke mest kunnen opbrengen dan de maximale bemestingsnorm van 170 kg N/ha. De derogatie voor de periode 2011-2014 is gelijkaardig aan deze voor de periode 2007-2010 met uitzondering van een aantal verbeterpunten. Welke die punten zijn, wordt hieronder beschreven.

De Mestbank zal in de eerste helft van juni de land- en tuinbouwers ook gericht informeren over de inhoud van de derogatie. Belangrijk bij de beslissing van het Nitraatcomité is dat het ook dit jaar mogelijk is om derogatie toe te passen. Wel dient rekening te worden gehouden met de hieronder vermelde voorwaarden.

Omdat Vlaanderen volledig afgebakend is als kwetsbaar gebied sinds 1 januari 2007, geldt overal een maximale bemestingsnorm van 170 kg N/ha uit dierlijke mest zoals bepaald in de Europese Nitraatrichtlijn. Derogatie laat toe af te wijken van de bemestingsnorm van 170 kg N/ha en dus meer dierlijke mest toe te dienen, weliswaar onder strikte voorwaarden.

Net zoals bij de derogatie voor de periode 2007-2010, kunnen landbouwers tot 250 kg N/ha uit dierlijke mest toedienen aan grasland en maïs voorafgegaan voor een voorjaarssnede gras, en tot 200 kg N/ha uit dierlijke mest toedienen aan wintertarwe gevolgd door een niet-vlinderbloemig vanggewas en bieten. Nieuw is dat ook derogatie kan toegepast worden op maïs voorafgegaan door een voorjaarssnede snijrogge tot een maximum van 250 kg N/ha uit dierlijke mest en triticale gevolgd door een niet-vlinderbloemig vanggewas tot een maximum van 200 kg N/ha uit dierlijke mest.

Op derogatiepercelen mag de bemesting met dierlijke mest enkel gebeuren met derogatiemest. Net zoals bij de vorige derogatie is dit mest afkomstig van runderen (uitgezonderd mestkalveren), paarden, geiten, schapen en de dunne fractie na het scheiden van varkensmest. De dunne fractie van varkensmest moet een N/P2O5-verhouding hebben van tenminste 3,3. Nieuw is dat ook effluent met een laag N- en P2O5-gehalte mag toegediend worden op derogatiepercelen. Enkel effluent met een maximale N-inhoud van 1 kg N/ton en een maximale P2O5-inhoud van 1 kg P2O5/ton mag worden opgebracht op derogatiepercelen. Dit laat toe om restproducten van mestverwerkingsinstallaties te valoriseren. De toepassing van effluent wordt beperkt tot maximaal 15 ton/ha om risico’s op verzilting van de bodem tegen te gaan. Het gebruik van dunne fractie en effluenten op derogatiepercelen kan enkel als de Mestbank een attest heeft afgeleverd voor de dunne fractie of het effluent. Hiervoor is het nog wachten op het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering. De totale hoeveelheden N en P2O5 die opgebracht worden op derogatiepercelen mogen de maximale bemestingsnormen van het Mestdecreet niet overschrijden. Er mag geen fosfaat uit kunstmest opgebracht worden op derogatiepercelen.

De meeste voorwaarden inzake bodembeheer zijn gelijkaardig aan deze bij de vorige derogatie, maar er zijn enkele wijzigingen. Zo moet minstens 2/3 van de derogatiemest (met uitzondering van begrazing) opgebracht worden vóór 31 mei in plaats van 15 mei bij de vorige derogatie.

Wat het graslandbeheer op derogatiebedrijven betreft, zijn er eveneens enkele kleine wijzigingen. Zo mag grasland enkel gescheurd worden vanaf 15 februari tot en met 31 mei, met uitzondering van de Polders waar grasland mag gescheurd worden vanaf 15 februari tot en met 14 september. Na scheuren van grasland wordt ten laatste binnen 2 weken een gewas gezaaid (geen gewas met een lage N-behoefte of leguminose). Net zoals bij de vorige derogatie mag in het jaar van scheuren van blijvend grasland geen enkele meststof opgebracht worden, met uitzondering van begrazing.

De meeste overige voorwaarden verbonden aan de derogatie blijven gelijkaardig aan deze bij de vorige derogatie. Zo moeten de landbouwers die derogatie toepassen een bemestingsplan en -register bijhouden voor alle percelen van hun bedrijf. Daarnaast moeten ze de nutriënteninhoud van hun landbouwgronden opvolgen aan de hand van regelmatige N- en P2O5-analyses en moeten ze gebruik maken van mestanalyses bij de uitvoering van bepaalde mesttransporten. De precieze bepalingen over deze analyses zullen vastgelegd worden in een uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering. Ook worden er, in de periode van 1 oktober tot en met 15 november, nitraatresidumetingen uitgevoerd op een selectie van percelen van derogatiebedrijven. De kosten van de nitraatresidumetingen zullen worden gedragen door de landbouwers die derogatie aanvragen.

De Mestbank zal in de eerste helft van juni gericht informeren over de manier waarop landbouwers zich in orde kunnen stellen met hun aanvraag voor 2011 en over de voorwaarden die verbonden zijn aan de derogatie. Elke landbouwer die in 2011 derogatie toepast, moet vóór 15 juli 2011 een aanvraag indienen bij de Mestbank.

Alle landbouwers die in 2009 of 2010 derogatie aanvroegen, en landbouwers die reeds een derogatieaanvraag onder voorbehoud indienden op de verzamelaanvraag van 2011 (code ‘DAV’) alsook de landbouwers die hun intentie om derogatie aan te vragen reeds kenbaar maakten bij de provinciale diensten van de Mestbank, zullen een brief krijgen met gedetailleerde informatie.