KWS: “Evaluatie voederwaarde in huidige rassenproeven silomaïs onmogelijk”

16.10.2011

Na veertien jaar oogsttijdstippenonderzoek en uitgebreid onderzoek inzake voederwaarde en verteerbaarheid, waaraan vele laboratoria in de Benelux hebben meegewerkt, is KWS tot de conclusie gekomen dat alle kwaliteits/voederwaardebepalingen in de huidige rassenproeven silomaïs geen juiste weergave zijn van wat de koe er in werkelijkheid mee kan doen.

Het eerste probleem schuilt volgens KWS in het feit dat alle rassen tegelijk worden geoogst. “Ieder ras is in een ander rijpheidstadium. Uit het oogsttijdstippenonderzoek komt naar voren dat de samenstelling in het oogsttraject (tijdens de afrijping) heel dynamisch is. Daarom zijn de resultaten niet vergelijkbaar. Het is tevens geen presentatie van de potentiëlen van de rassen”, stelde Jan Bakker.
Het tweede probleem schuilt in het gebruikte systeem van voederwaardebeoordeling. Het zetmeel, dat alleen in de korrel zit, wordt voor 95 tot 100 % verteerd en benut. De celwanden (die 75-80% uitmaken van de restplant) vormen het probleem. Roeland Vandenborre: “Uit het onderzoek naar het voederwaardesysteem komt naar voren dat het gebruikte laboratoriumsysteem voor het meten van de celwandverteerbaarheid, niet overeenkomt met wat de koe er in werkelijkheid mee kan. In het systeem wordt een zekere potentiële verteerbaarheid gemeten (+/- 55% DNDF bij blacklayer-rijpheid). Een potentieel wat nooit bereikt zal worden in de koe. De 48 uur dat de tot stof vermalen maïs in pensvloeistof vertoeft op het laboratorium wordt gelijkgesteld met de huidige hoogproductieve koe in de praktijk, waar de maïs in stukken van 0,5 cm binnen gaat en na 8 tot 12 uur weer buiten komt. We zien op laboratoriumschaal, na deze beperkte tijd van incubatie, dat de DNDF (celwandverteerbaarheid inclusief de suikers) terugzakt naar 10 -15 %. En zelfs daar moet men nog in meenemen dat de koe geen stof eet maar gehakselde maïs die eerst nog toegankelijk gemaakt moet worden voor de bacteriën middels kauwen en herkauwen. De benuttingspercentages worden laag en de verschillen tussen de rassen minimaal tot nihil. De variatie in zetmeelgehalte in de monsters (een ander rantsoen in de praktijk) doet er nog een extra vertroebeling bij. Bij meer zetmeel daalt de celwandverteerbaarheid. Conclusie is dat de DNDF (celwandverteerbaarheid) en daarmee ook de VEM- en VOS-berekening een verkeerde/onjuiste indruk geeft van wat de koe er in de praktijk mee kan. Daarmee mag het geen parameter zijn voor de rassenbeoordeling in het kweekwerk en in de rassenkeuze. Het is niet meer dan een storende factor voor teler en kweker in de zoektocht naar de beste producten. De mengvoederindustrie heeft dit probleem van de celwandverteerbaarheid en de VEM reeds jaren gedetecteerd en daarmee zijn deze parameters ter zijde geplaatst.”
Jan Bakker besluit: “Het is tijd dat men ook in het rassenonderzoek deze afgedankte begrippen afschaft als voornaamste beoordelingscriteria. KWS zal alle informatie, kennis en conclusies van het uitgevoerde onderzoek inzake voederwaarde met eenieder delen en middels samenwerking met bedrijven, universiteiten een systeem trachten te ontwikkelen om de restplant (voornamelijk celwanden) op juiste waarde te schatten. Een systeem dat gebruikt kan worden in de praktijk en in de beoordeling van rassen in het kweek- en selectiewerk. Pas dan kunnen alle investeringen in het kweekwerk en de rassenproeven ten goede komen aan de vooruitgang en kan de teler op een juiste basis zijn keuze maken. Een keuze voor rassen die de teler meer rendement geven.”